6. De weg van herstel
In de vorige paragrafen is een beeld geschetst, dat weinig ruimte voor misverstaan overlaat. In de verhouding tussen Jood en niet-Jood binnen het Lichaam van Christus is door de eeuwen heen eerder sprake geweest van ontbinding dan een vitale conditie. De oorspronkelijke samenhang is verdwenen. In onze dagen zijn we getuige van het nationaal (sinds 1948) en het beginnend geestelijk herstel (sinds 1967) van Israël. Het meest opmerkelijk is wel het feit dat er wereldwijd mensen van allerlei volken met Israël gaan optrekken, door de Sabbat en de bijbelse feesten te vieren en hun geloof in Jezus bewust in de bijbelse (niet: Joodse!) context te beleven – waar mogelijk samen met Joodse gelovigen. Is dit de opmaat naar de vervulling van wat Zacharia profeteerde over het uiteindelijke herstel?
Dit stelt de HEER van de [hemelse] strijdkrachten: in die dagen zal het gebeuren dat tien mannen van verschillende heidense talen zich zullen vastklampen aan de hoek van [het kleed van] een Joodse man en zeggen: ‘Laat ons met jullie optrekken, want wij hebben gehoord dat God met jullie is.’(1)
In het Hebreeuws staat er dat deze mensen ‘de hoek [van het kleed] van een Joodse man’ zullen grijpen. Dat is de plek, waar de tsiet-tsiet zit; de wit-blauw gevlochten ‘gedenkkwast’, die herinnert aan de voorschriften uit de Thora. Jezus kende dit gebruik (2) (Hij droeg ze zelf ook (3)). Tot op vandaag wordt hij door gelovige Joden (ook in een aantal traditioneel ingestelde Messiasbelijdende gemeenten) gedragen aan de kleding en natuurlijk aan de talliet (gebedsmantel).
Waar de vervangingsleer stelt dat Joden zich uiteindelijk bij de kerk zullen (moeten) aansluiten, stelt God dat het precies andersom zal gaan: mensen uit de volken zullen samen met Israël optrekken (Zacharia 8 spreekt niet over een gioer-proces) omdat zij beseffen dat God aan de kant van Israël staat! En het mooie is, dat God ons in Zijn Woord ook aanreikt hoe we dit ‘met Israël optrekken’ gestalte kunnen geven zonder wettisch of zelfs Joods te worden. Hieronder volgen enkele citaten, die enige uitleg geven:
- het erkennen van de historische feiten met betrekking tot de verstoorde verhouding tussen Jood en niet-Jood en onze verantwoordelijkheid hierin.
- het doen van voorbede voor Israël en
- het verlenen van praktische ondersteuning
A. Erkennen van onze historische medeplichtigheid en verantwoordelijkheid
- Dit tijdperk loopt op zijn einde en God wil Zijn verstrooide volk Israël uit alle landen van de wereld terugbrengen naar Zijn eigen land om hen daar te verenigen tot één natie.
- Deze geografische en politieke hereniging is het voorspel van de geestelijke vernieuwing van het Joodse volk.
- Dit proces van terugkeer en herstel is rond het jaar 1900 op gang gekomen en is sindsdien steeds blijven doorgaan.
- Het welzijn en voorspoed van alle naties hangt samen met de vervulling van Gods plan voor de vernieuwing van Israël.
Christenen die de autoriteit van de Bijbel erkennen, kunnen niet onverschillig zijn over het feit dat deze duidelijke openbaring van Gods plan, in onze dagen bezig is in vervulling te gaan. We zien ons dus gesteld voor een uitermate belangrijke vraag: Hoe reageren wij hierop?
Een veelvoudige schuld
Voor we goed antwoord kunnen geven op deze vraag, moeten we eerst rekening houden met twee historische feiten. Het eerste feit gaat alle christenen aan die geen Joodse afkomst hebben. Of we nu van Afrikaanse, Arabische, Russische of Amerikaanse, Indische of Chinese afkomst zijn, wij christenen hebben allemaal onze geestelijke erfenis te danken aan één volk: Israël. ( … )
Onze verantwoordelijkheid erkennen
Als christenen vandaag geconfronteerd worden met de verschrikkelijke feiten over antisemitisme in de geschiedenis van de christelijke Kerk, reageren ze soms door elke verantwoordelijkheid af te wijzen. ‘Dat is gebeurd in andere kerken’, zegt men dan. ‘In onze kerk zouden we ons niet schuldig maken aan zulke gedachten of daden.’ Ook ikzelf was in eerste instantie geneigd me achter dergelijke argumenten te verschuilen. Maar op een dag bepaalde de Heilige Geest mij heel duidelijk bij wat Jezus in een soortgelijke situatie zei tegen de religieuze leiders van Zijn tijd:
Wee jullie, schiftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie bouwen grafmonumenten voor de profeten en versieren de graven van de rechtvaardigen, en jullie zeggen: ‘Als wij geleefd hadden in de tijd van onze voorouders, zouden wij ons niet zoals zij schuldig hebben gemaakt aan de moord op de profeten.’ Daarmee erkennen jullie zelf dat jullie kinderen zijn van hen die de profeten vermoord hebben. (4)
Doordat deze godsdienstige mensen ontkenden verantwoordelijk te zijn voor de misdaden van hun voorvaderen tegen de profeten, erkenden ze impliciet wel dat ze de zonen waren van degenen die de profeten hadden vermoord. Ik geloof dat hetzelfde principe van toepassing is op de misdaden die de Kerk bedreven heeft tegen de Joden. We kunnen niet beweren bij de Kerk te horen, maar tegelijkertijd ontkennen dat we mede verantwoordelijk zijn voor de manier waarop de Kerk de Joden behandeld heeft. Tenslotte bestaat er in Gods ogen maar één Kerk. Als we geïdentificeerd willen worden met die ene Kerk, dan moet dat een volkomen identificatie zijn. We kunnen niet aan de ene kant het goede dat de Kerk ons heeft nagelaten aannemen en ons op hetzelfde moment distantiëren van het slechte. We moeten in het bijzonder ons aandeel in de verantwoordelijkheid voor het christelijke antisemitisme erkennen en er alles aan doen om deze vreselijke situatie op te lossen. ( … )
Tegen deze achtergrond worden alle niet-Joodse christenen vandaag onvermijdelijk geconfronteerd met twee fundamentele vragen: ten eerste, wat kunnen we doen om onze geestelijke schuld aan het Joodse volk te vereffenen? Ten tweede, hoe kunnen we in zekere zin ook praktisch genoegdoening geven voor al het kwaad dat de Joden eeuwenlang is aangedaan uit naam van het Christendom?
Het antwoord op deze vragen hangt mijns inziens samen met de uitwerking van Gods plannen met Israël in onze tijd. Onze generatie heeft de unieke gelegenheid om de Joden bijzonder te ondersteunen. Dat is een plicht, maar ook een voorrecht. Onze plicht is alles te doen wat de Bijbel opdraagt en wat in ons vermogen ligt, om de Joden te helpen hun goddelijke erfenis te verkrijgen, zowel in het natuurlijke als in het geestelijke. Ons grote voorrecht is dat we daarmee Gods medewerkers zijn in de vervulling van Zijn heerlijke doel met Israël en alle andere landen! In de Bijbel heb ik vier specifieke manieren gevonden waarop we dit kunnen doen: door te lofprijzen, te verkondigen, te bidden en te troosten. (5)
Het is nodig dat de kerk ‘ … zich diepgaand bezint op haar eigen positie ten opzichte van Israël. Immers het Hoofd van de Gemeente is Dezelfde als de Koning van Israël. Deze Koning is op weg naar Jeruzalem. Als wij ons Hoofd niet volgen op die weg, dan lopen we het risico dat we ons hoofd verliezen. Dit is meer dan een beeldspraak, want hier ligt een oorzaak van veel chaos in kerken en groepen. De HERE zegene Zijn volk Israël, maar ook ons! (6)
B. Het doen van voorbede voor Israël
Want wij willen u niet onkundig laten, broeders, van de verdrukking, die ons in Asia overkomen is: bovenmate en boven vermogen hebben wij een zware last te dragen gehad, zodat wij zelfs aan ons leven wanhoopten; ja, voor eigen besef achtten wij ons als ter dood verwezen, opdat wij niet op onszelf vertrouwen zouden stellen, Maar op God, die de doden opwekt. En Hij heeft ons uit zulk een groot doodsgevaar verlost en zal ons verlossen: op Hen hebben wij onze hoop gevestigd, [dat] Hij ons ook verder verlossen zal, terwijl ook gij ons te hulp komt met uw voorbede, opdat uit veler mond voor de genade, ons geschonken, veelvuldig dank gebracht worde voor ons. (7)
Dit schreef een Joodse zendeling aan een gemeente, die voornamelijk uit niet-Joodse gelovigen bestond. Deze woorden van Paulus zouden ook gebruikt kunnen worden om de situatie van Israël in de laatste tientallen jaren te beschrijven.
God komt tot Zijn doel. Altijd. Maar hoe Hij tot Zijn doel komt hangt van Israël èn van ons, bijbelgetrouwe christenen, af. Onze voorbede en steun helpen Israël op weg naar Gods doel; zoals de voorbede van Mozes en de hulp van een nomadenstam – de Kenieten – Israël op weg naar Kanaän hielpen. Die voorbede en steun zijn juist nu heel belangrijk voor Israël en de voortgang van Gods plan naar het Koninkrijk. Onze gebeden bouwen een ‘muur rondom Israël zodat ze op de Dag van de HERE standhouden in de strijd’. (Ezechiël 13: 5). Ook belangrijk voor ons land. Want we moeten ons goed realiseren dat er grote toorn van de HERE rust op ons goddeloze land. (8)
‘We kunnen ons inspannen voor onze gemeente. We kunnen allerlei goede en noodzakelijke activiteiten organiseren ten behoeve van het Koninkrijk van God. Maar als we er niet voor bidden, zal het allemaal tevergeefs zijn. Vrijwel al onze daden zullen na enkele generaties vergeten zijn. Ze maken geen verschil. Alleen als ze gepaard gaan met aanhoudende en intensieve voorbede, zodat de Eeuwige met Zijn Geest door ons leven heen kan werken, zal het waarde hebben voor de eeuwigheid.
Ik heb begrepen dat jullie als Nederlandse christenen erg blij zijn met het feit dat er sinds kort een evangelische partij in de regering zit. En natuurlijk is dat ook bijzonder. Geen misverstand daarover. Maar zullen zij ook in staat zijn om verschil te maken ten behoeve van Gods Koninkrijk? Vergeet het maar rustig. Tenzij er voortdurend en intensief voor hen gebeden wordt.
Houdt u van Nederland? Bid dan voor Israël. Zoekt u het beste voor uw kerk of gemeente? Bid dan voor Israël. Want de Eeuwige zegent wie Israël zegenen; op wie Israël verwaarlozen, legt Hij een vloek!’ (9)
Het is de dure roeping van de christelijke Kerk van alle tijden en van alle plaatsen te bidden: Vrede over Israël. Maar dan wel in de zin van Efeze 2: 14, waar van Christus Jezus gezegd wordt: Hij is onze vrede. Zo vrede over Israël. (10)
C. Praktische ondersteuning
De apostel Paulus besteedt in tenminste drie van zijn brieven aandacht aan het wederzijdse morele en geestelijke belang van niet-Joodse christenen om hun Joodse broers-en-zussen-in-het-geloof praktisch te ondersteunen. Zijn opmerkingen zijn zo helder dat die hieronder zonder verder commentaar worden weergegeven.
De eerste brief aan de gemeente te Korinthe (9: 11 en 16: 1-4)
Indien wij [Joodse apostelen] het zijn, die voor u het geestelijke gezaaid hebben, is het dan te veel, dat wij van u [gelovigen uit de volken] het stoffelijke zouden oogsten?
Wat nu de inzameling voor de heiligen betreft, doet ook gij, evenals ik het in de gemeenten van Gala-tië geregeld heb: elke eerste dag der week legge ieder uwer naar vermogen thuis iets weg en hij spare dit op, opdat er niet eerst na mijn komst inzamelingen moeten gehouden worden. Wanneer ik dan aangekomen ben, zal ik hen, die gij daarvoor geschikt acht, met brieven zenden om uw liefdegave te Jeruzalem af te dragen. Mocht het echter van belang zijn, dat ik ook de reis maak, dan zullen zij met mij reizen.
De tweede brief aan de gemeente te Korinthe (8: 1-11 en 9: 1-15)
Wij maken u de genade Gods bekend, broeders, die aan de gemeenten van Macedonië geschonken is. Want, doordat zij beproefd zijn gebleken in veel verdrukking, hebben hun overvloedige blijdschap en diepe armoede nog overvloedig de rijkdom van hun mildheid bevorderd; want [zij deden], dat ge-tuig ik, wat zij konden, ja méér dan dat; en zij vroegen, met alle aandrang, uit eigen beweging van ons de gunst, deel te mogen nemen aan het dienstbetoon voor de heiligen, en zij gaven zich – zoals wij niet hadden durven verwachten – eerst aan de Here en door de wil van God ook aan ons; met dit tot gevolg, dat wij bij Titus erop aandrongen om, zoals hij vroeger een begin ermede gemaakt had, nu ook dit liefdewerk bij u tot een goed einde te brengen. Welnu, zoals gij in alles overvloedig zijt, in ge-loof, in spreken, in kennis, in volkomen toewijding en in de liefde, die van ons tot u uitgegaan is, zo weest dan ook in dit liefdewerk overvloedig.
Ik geef dit niet als een bevel, maar ik tracht aan die toewijding van anderen ook de echtheid uwer lief-de te toetsen. Gij kent immers de genade van onze Here Jezus [Christus], dat Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede rijk zoudt worden. En ik geef op dit punt mijn mening, want die is u nuttig: gij hebt immers reeds vroeger, het vorige jaar, een begin gemaakt, niet alleen met de uitvoering, maar ook met het willen; voltooit thans dan ook de uitvoering opdat met de maat van uw bereidwilligheid ook de voltooiing uit hetgeen gij hebt overeenstemme.
Want over de dienst, die gij de heiligen betoont, u nog te schrijven, acht ik overbodig; want ik weet van uw bereidvaardigheid, op grond waarvan ik bij de Macedoniërs over u roem, dat Achaje sinds verleden jaar gereed staat, en uw ijver heeft de meesten [tot navolging] geprikkeld. Doch ik zend deze broe-ders, opdat onze roem over u in deze aangelegenheid niet ongegrond blijke, maar gij gereed moogt zijn, zoals ik erover sprak, opdat niet, indien er Macedoniërs met mij zouden medekomen en zij u niet gereed zouden vinden, wij – om niet te zeggen: gij – in deze stellige verwachting zouden beschaamd worden. Ik achtte het dus noodzakelijk de broeders op te wekken, van tevoren tot u te gaan en uw vroeger toegezegde milde gave vooraf in gereedheid te brengen, zodat zij klaar ligt als een milde gave en niet als een afgeperste gift.
[Bedenkt] dit: wie karig zaait, zal ook karig oogsten, en wie mildelijk zaait, zal ook mildelijk oogsten. Een ieder doe, naardat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen, niet met tegenzin of gedwongen, want God heeft de blijmoedige gever lief. En God is bij machte alle genade in u overvloedig te schenken, opdat gij, in alle opzichten te allen tijde van alles genoegzaam voorzien, in alle goed werk overvloedig moogt zijn, gelijk geschreven staat: Hij heeft uitgedeeld, aan de armen gegeven, zijn gerechtigheid blijft tot in eeuwigheid.
Hij nu, die zaad verschaft aan de zaaier en brood tot spijze, zal u uw zaaisel verschaffen en vermeerderen en het gewas uwer gerechtigheid doen opschieten, terwijl gij in alles verrijkt wordt tot alle onbekrompenheid, welke door onze bemiddeling dankzegging aan God bewerkt. Want het dienstbetoon met deze ondersteuning draagt niet alleen bij tot de behoeften der heiligen, maar het is ook overvloedig door vele dankzeggingen aan God. Want door dit duidelijk blijk van hulpbetoon prijzen zij God om uw gehoorzaam belijden van het evangelie van Christus en om uw onbekrompen delen met hen en met allen, terwijl zij ook in hun gebed het verlangen naar u uitspreken om de buitengewone genade Gods, die op u rust. Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave!
De brief aan de gemeente te Rome (15: 23-33)
( … ) nu mij in deze streken geen arbeidsveld meer overblijft en ik sedert tal van jaren verlangend ben tot u te komen, zodra ik naar Spanje reis – ik hoop u namelijk op mijn doorreis met eigen ogen te zien en door u voortgeholpen te worden voor mijn tocht daarheen, wanneer ik eerst enigermate van u genoten heb. Maar thans ben ik op reis naar Jeruzalem ten dienste van de heiligen. Want Macedonië en Achaje hebben goedgevonden een handreiking to doen aan de armen onder de heiligen te Jeruzalem. Zij hebben het immers goedgevonden, maar zijn het ook jegens hen verplicht, want indien de heidenen aan hun geestelijke goederen deel hebben gekregen, behoren zij ook met hun stoffelijk goederen hen te dienen. Wanneer ik mij dan hiervan gekweten en hun deze opbrengst afgedragen heb, zal ik over uw stad naar Spanje reizen. En ik weet, dat ik bij mijn komst te uwent met volle zegen van Christus zal komen.
Maar, [broeders,] ik vermaan u bij onze Here Jezus Christus en bij de liefde des Geestes, om samen met mij te worstelen in den gebede voor mij tot God, opdat ik behoed worde voor de weerspannigen in Judea, en dat mijn dienstbetoon voor Jeruzalem gunstig worde opgenomen door de heiligen, opdat ik, in blijdschap tot u gekomen met Gods wil, mij tezamen met u verkwikken moge. De God nu des vredes zij met u allen!
1. Eigen vertaling uit het Hebreeuws. Bron: Tenach (OT), Zacharia 8: 23.
2. Mattheüs 23: 5 – Jezus over de Farizeeën: ‘… zij maken hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot … (vgl. Numeri 15: 37-41)
3. Mattheüs 9: 20 (vgl. Lukas 8: 44) & 14: 35-36 (vgl. Markus 6: 56)
4. Mattheüs 23: 29-31 (NBV)
5. Derek Prince in Beloofd land, hoofdstuk 8, p. 131 vv.
6. Jan van Barneveld in: Het einde van de Vervangingsleer, p. 56
7. Paulus in zijn 2e brief aan de gemeente in Korinthe (1: 8-11).
8. Jan van Barneveld in ‘Oogst’, januari 2007, p. 24-25
9. Ófer Amitai (Intercessors for Israël, Jeruzalem) tijdens een gebedsconferentie t.b.v. Israël op ‘De Bron’ te Dalfsen, 10 maart 2007. Vrije weergave van zijn in het Engels gehouden bijbelstudie over voorbede n.a.v. Psalm 99: 6 & Exodus 32: 7-10.
10. Drs. W. J. Op ’t Hof in: De visie op de Joden in de Nadere Reformatie, p. 8